Inhoud
Een vrij grote, zwartwitte vogel met een lange staart is een ekster, en dus makkelijk herkenbaar1. Bij de andere zwart-witte soorten beslist één kenmerk: een rode ‘broek’2 (grote bonte specht), een opvallende kuif en brede vleugels3 (kievit), een lange oranjerode snavel4 (scholekster), een staart die voortdurend op en neer gaat5 (witte kwikstaart), bijna altijd broeden in een nestkast6 (bonte vliegenvanger) of duiken naar voedsel7 (kuifeend).
Zo herken je de ekster
De ekster is 46 tot 50 centimeter lang en onmiskenbaar, met zwart-wit verenkleed en lange staart. Hij is zwart met een witte buik, witte schoudervlekken en een bijna geheel witte handvleugel, die je in de vlucht ziet. Bij beter kijken heeft het zwart een groen-paars-blauwe glanslaag. Je hoort hem vaak: hij maakt een grote variatie aan krassende en schorre geluiden8.
Eksters leven in open gebieden, liefst met verspreid staande bomen, en zijn bijna altijd te vinden in tuinen, stadsparken en landbouwgebied. Ze zoeken hun voedsel bijna altijd op de grond8.
Zo herken je de grote bonte specht
De grote bonte specht, een zwart-witte vogel met een rode ‘broek’, is 23 tot 26 centimeter lang. In de vlucht vallen de grote witte schoudervlekken op. Het mannetje heeft een rode vlek op het achterhoofd, die bij het vrouwtje ontbreekt; jonge spechten hebben een rood petje2.
Hij vliegt met de golvende vlucht die kenmerkend is voor spechten. Je hoort vaak een luide, relatief korte roffel en een luid ‘tsjik’. Hij broedt overal waar bomen zijn: in bos, park of tuin, en is het hele jaar in de omgeving van zijn broedgebied. In de winter komt hij steeds vaker op voedertafels in tuinen2.
Zo herken je de kievit
Met een zwart-witte onderzijde, een opvallende kuif en brede vleugels is de kievit 28 tot 31 centimeter lang. Op de rug zit een groene en paarse metaalglans. Het vrouwtje is minder contrastrijk getekend en heeft een kortere kuif3.
In de baltsvlucht maakt het mannetje spectaculaire buitelingen, en de zwart-witte ondervleugels zijn van ver zichtbaar. Aan de ‘zang’ die hij dan laat horen, heeft de kievit zijn naam te danken. Je ziet hem vrijwel uitsluitend in agrarisch gebied (graslanden en akkers). In zachte winters overwinteren grote aantallen in ons land; bij vorst trekken veel kieviten naar Engeland en Frankrijk3.
Zo herken je de scholekster
De scholekster, een stevige zwart-witte vogel met een lange oranjerode snavel en roze poten, is 39 tot 44 centimeter lang. In de vlucht zie je opvallende witte vleugelstrepen en een zwart-witte staart. Hij is luidruchtig en roept schel “(te-)piet!”4.
Je ziet scholeksters vaak aan de kust, maar ook algemeen in het binnenland. Ze broeden ook op grinddaken en op paaltjes. Scholeksters uit het binnenland zijn in het winterhalfjaar doorgaans afwezig; dan zitten ze vooral in het Waddengebied en de Delta, in grote groepen op wadplaten4.
Zo herken je de witte kwikstaart
De witte kwikstaart is een slanke vogel van 16,5 tot 19 centimeter9 met een lange staart die hij voortdurend heen en weer beweegt. Hij is zwart-wit met witte vleugelstrepen, en heeft in prachtkleed een zwarte keel. Het vrouwtje is minder uitgesproken zwart-wit getekend, jonge vogels zijn valer en hebben veel wit op de kop5.
Hij zoekt meestal lopend op de grond voedsel, vaak op erven en tussen de poten van koeien, paarden en schapen. Het is een zomergast: Nederlandse witte kwikstaarten trekken van half september tot eind november weg en keren in maart massaal terug. De rouwkwikstaart lijkt erg op hem, maar bij die soort heeft de man een zwarte rug die overgaat in een zwarte kopkap5.
Zo herken je de bonte vliegenvanger
De bonte vliegenvanger is 12 tot 13,5 centimeter. In broedkleed is het mannetje zwart van boven en wit van onder, met een grote witte vleugelvlek en een kleine witte vlek op het voorhoofd10. Let wel op: in Nederland zijn de mannetjes niet zwart maar grijsbruin, en moeilijk van vrouwtjes te onderscheiden als ze niet zingen. Het vrouwtje is meer bruin6.
Je vindt hem vooral in halfopen loof- en gemengde bossen, het meest in het oosten van Nederland, zoals de Veluwe en het Drents Plateau. Bijna alle bonte vliegenvangers broeden in nestkasten. Hij maakt vanaf een zitpost korte vluchten achter vliegende insecten aan. Het is een zomergast: de voorjaarstrek loopt van half april tot begin juni, de najaarstrek van eind juli tot half oktober6.
Zo herken je de kuifeend
Bij de kuifeend is het mannetje zwart-wit: opvallend zwart met witte flanken. Kuifeenden zijn 40 tot 47 centimeter. Het vrouwtje is overwegend bruin met lichtere flanken. Mannetjes en vrouwtjes hebben allebei een kuif, maar bij mannetjes is die langer. Let ook op het gele oog7; jonge vogels hebben een bruine iris11.
In tegenstelling tot de wilde eend duiken kuifeenden naar hun voedsel. In de vlucht zie je een witte baan over de slagpennen. Ze leven op grote zoetwatermeren, vijvers en rustige, langzaam stromende rivieren, en zijn zeker in de winter ook in het stedelijk gebied7 te vinden.
Snel overzicht
| Soort | Lengte | Kenmerk | Wanneer je hem ziet |
|---|---|---|---|
| Ekster | 46–50 cm8 | Lange staart, witte buik en schoudervlekken | Jaarrond8 |
| Grote bonte specht | 23–26 cm2 | Rode ‘broek’, witte schoudervlekken | Jaarrond2 |
| Kievit | 28–31 cm3 | Kuif, brede vleugels, groene glans op de rug | Broedvogel en wintergast, bij vorst veel weg3 |
| Scholekster | 39–44 cm4 | Oranjerode snavel, roze poten | Jaarrond, in de winter vooral op de wadplaten4 |
| Witte kwikstaart | 16,5–19 cm9 | Wippende lange staart, zwarte keel in prachtkleed | Zomer: terug in maart, weg half september–eind november5 |
| Bonte vliegenvanger | 12–13,5 cm10 | Witte vleugelvlek, vaak bij een nestkast | Zomer: komt half april–begin juni, gaat eind juli–half oktober6 |
| Kuifeend | 40–47 cm7 | Kuif, geel oog, duikt | Broedvogel, en wintergast in groot aantal7 |
