Een mannetjesstruisvogel met zwart-wit verenkleed, foeragerend met de kop omlaag in droog grasland
Foto · iNaturalist · CC0
Inhoud
  1. Herkennen
  2. Leefgebied en verspreiding
  3. Voedsel
  4. Broeden
  5. Bescherming
  6. Lijkt op

De struisvogel is de grootste nog levende vogel1. Zijn natuurlijke leefgebied ligt in Afrika. In Nederland is hij een exoot2 die af en toe wordt ingevoerd en zich hier niet voortplant.

Herkennen

Een mannetje wordt tot 2,75 meter hoog en 155 kilo zwaar3. De struisvogel is een vogel die niet kan vliegen, al halen de vleugels een spanwijdte van ongeveer 2 meter4.

Mannetje en vrouwtje zijn makkelijk te onderscheiden: het mannetje is bijna helemaal zwart, met witte slagpennen en staart, het vrouwtje en jonge mannetjes zijn grijsbruin en wit. Een kuiken komt uit het ei met valbruin dons met donkerbruine vlekken4.

Struisvogels leven in groepen van 5 tot 50 dieren. Buiten het broedseizoen zijn de groepen kleiner en losser, met 2 tot 5 dieren. In het broedseizoen strijden mannetjes met een territorium om groepjes van 3 tot 5 hennen1.

Meestal is de struisvogel stil, maar beide geslachten kunnen sissen, snuiven en fluiten3, en hij klapt geregeld met zijn snavel. Bij gevaar in de nacht en tijdens de balts laat het mannetje een diepe, luide galm horen, “boe-boe-boee-boee”, te vergelijken met de brul van een leeuw. Hij rent hard: op zijn snelst ongeveer 64 kilometer per uur1.

Leefgebied en verspreiding

Het Nederlands Soortenregister noemt de struisvogel een exoot: incidentele import, geen voortplanting2. Voor vogels bestaat in Nederland nog geen huis- en hobbydierenlijst5; tot die er is, mag je ze houden, tenzij een andere wet het verbiedt. RVO verwijst daarbij naar de regels voor beschermde dieren en invasieve exoten.

In zijn natuurlijke verspreidingsgebied leeft de struisvogel in de savannes en de Sahel van Afrika4, ten noorden en ten zuiden van de evenaarsbossen, en in het zuidwesten van Afrika ook in halfwoestijn en woestijn. Daarbinnen houdt hij zich vooral op in de drogere en zanderige streken van centraal en zuidelijk Afrika1.

Voedsel

Een struisvogel eet vooral zaden, grassen, vruchten en bloemen4, af en toe aangevuld met insecten, kleine knaagdieren, hagedissen en etensresten van vleeseters. Hij kiest zijn plantaardig voedsel niet lukraak: hij pakt vooral de zaaddozen van grassen1 en bepaalde bloemen en zaden. Omdat hij geen tanden heeft, slikt hij kiezelsteentjes door die in de spiermaag het voedsel vermalen.

Broeden

Het mannetje maakt het nest: een kuil van 30 tot 60 centimeter diep, die hij zelf in de grond schraapt. Meerdere vrouwtjes leggen hun eieren in hetzelfde nest, maar de dominante hen verwijdert overtollige eieren van de zwakkere vrouwtjes, zodat er meestal ongeveer 20 eieren overblijven4. De eieren worden overdag door de vrouwtjes bebroed en ’s nachts door het mannetje: zo valt het nest minder op, want het vale vrouwtje gaat op in het zand en het zwarte mannetje is ’s nachts bijna niet te zien. Het broeden duurt 40 tot 45 dagen3.

Een kuiken groeit snel: na drie maanden krijgt het zijn juveniele verenkleed, dat in het tweede levensjaar geleidelijk wordt vervangen door het volwassen kleed. Op vier tot vijf maanden is het al half zo groot als een volwassen vogel. Het heeft na een jaar de volwassen hoogte, na 18 maanden het volle gewicht4 van zijn ouders. In gevangenschap wordt een struisvogel gemiddeld 50 jaar oud1.

Bescherming

Het aantal wilde struisvogels is in de laatste 200 jaar sterk afgenomen; de meeste overgebleven vogels leven in reservaten of op boerderijen. Zijn verspreidingsgebied is nog altijd heel groot. De Noord-Afrikaanse populaties staan op Bijlage I van CITES4, het verdrag over internationale handel in bedreigde soorten: commerciële internationale handel in deze vogels is verboden.

Lijkt op

  • Emoe: kleiner dan de struisvogel, met donkerbruine, ruige veren, en leeft alleen in Australië6 in plaats van Afrika.
  • Nandoe: ook kleiner, grijsbruin met een zwarte basis van de hals7, en leeft in Zuid-Amerika.
  • Kasuaris: heeft een benige kuif op de kop en een kale, blauw-rode nek, en leeft vooral in laaglandregenwoud8.