Inhoud
Vliegende mieren zijn de mannetjes en koninginnen van een mierenkolonie op bruidsvlucht: de meeste mierenkolonies vormen zulke enorme zwermen vliegende mieren1. Bij de wegmier en de gele weidemier valt die vlucht voornamelijk in juli en augustus2, bij allebei in dezelfde maanden3.
De vlucht heet zo omdat de mannetjes tijdens de vlucht de koninginnen bevruchten. Daarna werpt de koningin haar vleugels af en helpt ze in een bestaand nest, of probeert ze een nieuw nest te stichten1. Zo’n zwerm duikt ineens op: de dieren komen eenmalig uit het nest en zwermen in alle richtingen uit2.
Zo herken je de wegmier
De wegmier heette vroeger de zwartbruine wegmier. Ze is zwartbruin tot zwart, met een overvloedige, fijne beharing. Werksters zijn 3 tot 5 millimeter lang, mannetjes 3,5 tot 4,2 millimeter en koninginnen 8 tot 9 millimeter2.
De vliegende dieren hebben andere uiterlijke kenmerken dan de werksters1. De koninginnen zijn donkerbruin, met een kop die smaller is dan het borststuk. De mannetjes zijn donker- tot zwartbruin. Bij allebei zijn de vleugels doorzichtig2.
De wegmier komt overal in de vrije natuur voor, maar ook in tuinen en bij of in gebouwen. Volg je een mierenstraat, dan vind je het nest meestal buiten, onder de (stoep)tegels of langs de gevel. Mieren zitten graag onder terrastegels, omdat tegels goed warmte vasthouden2.
Ze eet andere insecten en zoetigheid, zoals honingdauw: de wegmier bewaakt en verzorgt bladluizen om zoveel mogelijk van hun uitscheiding te krijgen. Een kolonie telt gemiddeld zo’n 4000 tot 7000 mieren, met doorgaans maar één koningin. Vindt een werkster voedsel, dan zet ze een reukspoor naar het nest uit dat de andere mieren volgen. Klachten over mieren in huis hebben een piek in het voorjaar en in de zomer2.
Zo herken je de gele weidemier
De gele weidemier lijkt qua bouw veel op de wegmier, maar is iets kleiner. Ze verschilt in kleur: gele weidemieren zijn geel tot geelbruin, wegmieren zwartbruin. Werksters zijn 2 tot 4 millimeter lang, mannetjes 3 tot 4 millimeter en koninginnen 7 tot 9 millimeter3.
Je ziet haar niet snel, omdat ze haar voedsel niet bovengronds hoeft te zoeken. Werksters komen niet of nauwelijks aan de oppervlakte en worden alleen binnen een straal van een meter van het nest gezien3. Ze leeft ondergronds in symbiose met wortelluizen: het grootste deel van haar dieet is honingdauw die deze luizen uitscheiden4.
Ze woont vrijwel alleen in graslanden, soms ook in struwelen, bosranden en open bossen waar genoeg gras groeit. Het nest bestaat vaak uit kleine koepels tussen grasstengels; grote kolonies lijken op met kruiden en grassen begroeide molshopen. Is het gras kort, dan maken ze een ondergronds nest; is het lang, dan een bult om zonlicht op te vangen4. In een gazon dat je vaak maait, zie je hooguit een zandige plek3.
Een kolonie kan oplopen tot wel 100.000 werksters, met meerdere koninginnen. Haar nesten grenzen vaak aan nesten van wegmieren, soms in dezelfde aarden bult. Na de bruidsvlucht sterven de mannetjes3.
Snel overzicht
| Soort | Lengte werkster | Herken je aan | Wanneer je hem ziet |
|---|---|---|---|
| Wegmier | 3–5 mm2 | Zwartbruin tot zwart, fijn behaard; nest meestal onder tegels | Bruidsvlucht vooral juli en augustus; werksters in huis vooral voorjaar en zomer2 |
| Gele weidemier | 2–4 mm3 | Geel tot geelbruin; nestbult in gras | Bruidsvlucht vooral juli en augustus; werksters blijven ondergronds3 |
Wat doe je als er vliegende mieren zijn?
Het bestrijden van de gevleugelde koninginnen en mannetjes is in de periode van de bruidsvlucht niet goed mogelijk2. De gele weidemier hoef je in het algemeen niet te bestrijden, omdat ze voor geen overlast zorgt; ze wordt zelden binnen aangetroffen3.
In tuinen, parken en bossen zijn mieren zeer nuttig, omdat ze allerlei insecten verdelgen3, en ze ruimen op in de natuur. Een mierennest bestrijden met bestrijdingsmiddelen doet daar meestal veel schade2.
Last van wegmieren in huis? Bewaar zoete levensmiddelen in goed afsluitbare bakken of glazen potten, sluit de afvalemmer goed af en laat geen gemorste voedselresten liggen. Maak goed schoon, zodat de mieren het voedsel niet via een reukspoor bereiken. Een paar mieren die toch binnenkomen, haal je weg met de stofzuiger. Dicht naden en kieren bij ramen en deursponningen en zet fijnmazig insectengaas in de stootvoegen2.
Buiten kan heet water in de nestopeningen helpen om het aantal mieren klein te houden; ook de koningin moet het hete water raken2. Twijfel je welke soort je hebt, dan kun je vliegende mieren naar het KAD opsturen. Bij een exotische soort krijg je de informatie gratis, bij een inheemse soort tegen betaling1.
