Inhoud
Kijk naar de vacht. Een hommel is sterk behaard, wat hem een donzig uiterlijk geeft1, terwijl een honingbij vooral bruin is, met een donker achterlijf met bruine haarbanden2.
Hommels zijn er in veel kleuren: in Nederland leven zo’n 25 soorten, met verschillende kleurige patronen1. De meeste honingbijen leven in cultuurvorm, en verwilderde kolonies worden vaak niet oud2.
Ook hun jaar verloopt anders. Een hommelstaat, zoals een hommelvolk heet, is eenjarig: rond midden augustus komen de eerste mannetjes en jonge koninginnen uit. Daarna overwinteren de jonge koninginnen en sterven de rest van het nest en de mannetjes1. Bij de honingbij overwintert het hele volk in een korf of kast, behalve de mannetjes2.
Zo herken je de honingbij
De honingbij (Apis mellifera) komt in heel Nederland voor. Ze is hoofdzakelijk bruin: het achterlijf is donker met bruine haarbanden en het borststuk is bruingeel behaard2.
De grootte hangt af van de taak in het volk. Werksters, de vrouwtjes, zijn ongeveer 1,2 centimeter, darren (de mannetjes) ongeveer 1,5 centimeter en een koningin ongeveer 1,8 centimeter. Een volk heeft altijd één koningin en veel werksters. De werksters verzamelen het voedsel: stuifmeel en nectar van bloemen2.
Je ziet honingbijen in het zomerseizoen vliegen. Bij temperaturen boven de 10 °C2 kunnen ze al uitvliegen.
Een honingbij kan steken als ze zich bedreigd voelt. De angel heeft weerhaken en blijft vrijwel altijd in de huid achter, anders dan bij wespen, die hun angel kunnen terugtrekken. Hoe je een wesp herkent, lees je in wesp, hoornaar of geelpoothoornaar. Na een bijensteek blijft de gifklier mee achter en spuit die gif bij: haal de angel zo snel mogelijk uit je huid; na een minuut zit het meeste gif er al in. Ben je allergisch, dan kan een steek zeer vervelende gevolgen hebben: waarschuw dan direct een arts2, of bel direct de huisarts, de huisartsenpost of 1123.
Zit er een zwerm op een lastige plek, dan kan een imker hem weghalen, als de zwerm niet uit zichzelf verdwijnt2.
Zo herken je de aardhommel
De aardhommel (Bombus terrestris) is een van de meest voorkomende hommels. Hij is kort en gelijkmatig zwart behaard, met een gele band achter de kop en een tweede gele band op het achterlijf. De punt van het achterlijf is wit. Let op de tint: het okergeel onderscheidt hem van de lichter gele veldhommel. Mannetjes hebben vaak een helemaal zwarte kop4.
Een koningin is 22 tot 28 millimeter lang, een werkster 11 tot 17 millimeter en een mannetje 13 tot 16 millimeter. Je ziet de aardhommel van eind februari tot en met oktober, met de meeste dieren eind juli4.
Het nest zit ondergronds, vaak in oude muizennesten of mollengangen, tot 1,5 meter diep. Een staat telt 400 tot 600 dieren. De aardhommel heeft een vrij korte tong van gemiddeld 6,7 mm en bezoekt geen bloemen waar de nectar diep in verscholen zit. Je vindt hem onder meer op vingerhoedskruid, akelei, papaver en witte dovenetel. Aardhommels worden ook gekweekt om groente en fruit in kassen te bestuiven4.
Zo herken je de akkerhommel
De akkerhommel (Bombus pascuorum) is de meest algemene hommel van Nederland. Je herkent hem aan de roodbruine haren op het borststuk en de punt van het achterlijf. In het westen van het land zijn akkerhommels donkerder dan in het oosten, waar grijze of gele haren de zwarte haren van het achterlijf vervangen5.
Een koningin is 15 tot 18 millimeter, een werkster 9 tot 15 millimeter en een mannetje 12 tot 14 millimeter. Hij vliegt van half april tot begin oktober, met de meeste vrouwtjes eind mei en de meeste mannetjes begin augustus5.
Met een tong van gemiddeld 8,6 mm kan de akkerhommel nectar halen uit diepe bloemkelken. Je ziet hem onder meer op smeerwortel, witte dovenetel, look-zonder-look en fluitenkruid. Het nest ligt op de grond tussen mos- en graspollen, en een volk telt 80 tot 200 dieren5.
Zo herken je de steenhommel
De steenhommel (Bombus lapidarius) is zwart met een oranjerood kontje. Toch is niet elke zwarte hommel met een oranjerood kontje een steenhommel: ook de grashommel en de Limburgse hommel hebben een rood kontje. Bij de vrouwtjes zit het verschil in de haren aan de achterpoten: rood bij de grashommel, zwart bij de steenhommel. Mannetjes hebben naast de rode punt ook gele banden op en achter de kop6.
Een koningin is 20 tot 22 millimeter, een werkster 12 tot 16 millimeter en een mannetje 14 tot 16 millimeter. De vliegtijd loopt van half maart tot half oktober6.
De steenhommel houdt van open landschap, maar komt ook in tuinen voor. De koningin bouwt haar nest onder stenen of wortels, in muizennesten of bovengronds in vogelnestjes. Ze vliegt vroeg in het voorjaar op wilg en paardenbloem; werksters en mannetjes zie je later in het jaar op klaver, distel en schermbloemigen. De soort is algemeen, en aan de kust lijkt ze iets talrijker dan in het binnenland6.
Hommels bestrijden wordt in principe afgeraden, omdat ze zeer nuttig zijn en bijna nooit overlast geven1.
Snel overzicht
| Soort | Lengte werkster | Herken je aan | Wanneer je hem ziet |
|---|---|---|---|
| Honingbij | ca. 12 mm2 | Bruin, donker achterlijf met bruine haarbanden2 | Zomerseizoen, vanaf 10 °C2 |
| Aardhommel | 11–17 mm4 | Zwart, twee okergele banden, witte punt4 | Eind februari t/m oktober4 |
| Akkerhommel | 9–15 mm5 | Roodbruin borststuk en achterlijfspunt5 | Half april t/m begin oktober5 |
| Steenhommel | 12–16 mm6 | Zwart met oranjerood kontje6 | Half maart t/m half oktober6 |